Overweging gehouden in de Dominicus Amsterdam op Beloken Pasen 12 april 2026

Ik zeg weleens: ‘Ik ben geboren als een wij’. Ik heb namelijk een tweelingbroer. En ja, hij is ook lang en blond, net als ik. In onze kinderjaren deden we alles samen, maar later zijn onze levens uit elkaar gaan lopen. Hij woont al jaren in het buitenland en we spreken elkaar niet zoveel, waardoor onze werelden nauwelijks nog verweven lijken te zijn. Zo kent hij bijvoorbeeld deze plek niet, terwijl die voor mij zoveel betekenis draagt.
Misschien vind je dat opvallend. Mensen verwachten bij tweelingen vaak een intense verbondenheid. Dat beeld bestond al in de tijd van Jezus. In de evangelieverhalen wordt Thomas neergezet als de meest intieme en verwante leerling van Jezus. Zijn naam zegt het al: Didymus in het Grieks en Tomas in het Aramees betekenen namelijk allebei ‘tweeling’. En juist vanwege die vanzelfsprekende verwantschap vonden mensen het zo opmerkelijk dat ik op mijn achttiende theologie ging studeren, terwijl mijn broer koos voor theoretische natuurkunde.  Volgens sommigen kon het verschil bijna niet groter. Geloof en wetenschap worden toch nog vaak als tegenpolen gezien.
Hij promoveerde uiteindelijk in de kwantumfysica, in de snaartheorie: het idee dat de allerkleinste bouwstenen van het universum geen puntjes zijn, maar trillende snaartjes waarvan de trilling bepaalt wat je ziet. Bij zijn promotie werd ik overweldigd door de abstractie en de schaal van het denken. Het was alsof je even een glimp opvangt van een werkelijkheid die ons gewone verstand nauwelijks kan volgen.
Mijn broer heeft niets met religie. Maar wie zich jaren verdiept in het allerkleinste, in de fundamenten van het universum, is wat mij betreft uit hetzelfde hout gesneden als een theoloog. Dan leef je, misschien zonder het zo te noemen, met een religieus besef: een openheid voor een werkelijkheid voorbij de zichtbare werkelijkheid. Een fascinatie voor de mogelijkheid van het onmogelijke.
En die verwantschap wordt steeds zichtbaarder. Er verschijnen talloze boeken die kwantumfysica verbinden met holisme, mystiek en spiritualiteit. Zelfs in de natuurwetenschappen is het niet langer vreemd om religieus te zijn. De kwantumfysica heeft onze technologie al ingrijpend veranderd, van nucleaire energie tot lasers en microchips, maar opvallend genoeg heeft deze revolutionaire manier van denken nog nauwelijks invloed op hoe wij naar onszelf en de wereld kijken. Terwijl juist dát een bevrijdende manier van leven zou kunnen openen. Want we zijn gewend te denken in vaste keuzes. In aan–uit, ja–nee, nul–één. Zo werken onze gewone computers ook nog, in bits en bytes: ze rekenen met enen of nullen, nooit met allebei tegelijk. Maar in de kwantumwereld gaat dat anders. Daar kan iets tegelijkertijd nul én één zijn. Een qubit, het basiselement van een kwantumcomputer, kan meerdere toestanden tegelijk innemen. Dat opent een schaal van mogelijkheden die we ons nog nauwelijks kunnen voorstellen.
De kwantumfysica laat zien dat de werkelijkheid zelf niet vastligt in één vorm. Alles is tegelijk deeltje én golf. Ook wij. Het deeltjesaspect is wat zichtbaar en begrensd is. Maar daarnaast hebben we een golfaspect dat zich uitstrekt, letterlijk en figuurlijk, voorbij onze grenzen tot in het universum. Let wel, dit is geen geloofstaal, dit is wat wetenschappers zeggen. We leven dus niet alleen in een wereld van losse onderdelen, maar in een werkelijkheid die voortdurend in verbinding staat. En er bestaat zoiets als kwantumverstrengeling dat laat zien dat twee deeltjes die ooit met elkaar verbonden waren, die verbondenheid blijven dragen, ook als ze ver uit elkaar raken. Afstand verbreekt de relatie niet; het verandert alleen hoe die relatie zichtbaar wordt. Dat vind ik zo’n troostende gedachte: dat verbondenheid niet ophoudt wanneer vormen veranderen.
En precies dat maakt deze nieuwe fysica zo hoopgevend. Onze technologie is al veranderd door dit andere denken, maar wij blijven vaak vasthouden aan oude aannames over wie we zijn en hoe de wereld werkt: het oude beeld van controle en maakbaarheid, alsof verandering alleen ontstaat door duwen en trekken. Terwijl we juist verlangen naar een manier van kijken die ruimte laat voor verbondenheid, voor potentieel, voor het onverwachte. Hoe meer ik me verdiep in die kwantumwereld, hoe meer ik zie hoe deze manier van kijken aansluit bij wat Jezus ons heeft willen leren. Niet als theorie, maar als levenshouding.
Dat zien we terug in het verhaal uit Johannes 20. De leerlingen zitten vast in een wereldbeeld dat hen zekerheid biedt: deuren die dicht zijn, blijven dicht; wat dood is, blijft dood; angst houdt hen afgesneden van hun omgeving. Maar dan gebeurt er iets totaal onverwachts. Jezus staat in hun midden, terwijl de deuren nog steeds gesloten zijn. Het verhaal vraagt ons niet om dit technisch te begrijpen, maar om te zien wat er op een dieper
niveau gebeurt: hun vertrouwde logica houdt geen stand meer. De werkelijkheid blijkt minder vast en voorspelbaar dan zij dachten. Het is alsof er een veld van mogelijkheden ontstaat dat ze nooit hebben overwogen, een verschuiving van binnenuit, een nieuwe manier van kijken. Het wonder zit dan ook niet in het feit dat Jezus door muren heen gaat, maar in iets veel radicaler: dat de leerlingen, door de Geest, de adem van Jezus, een nieuw vermogen van zien en denken ontvangen. En dat nieuwe vermogen klinkt in de woorden: ‘Als jullie iemand zijn zonden vergeven, dan zijn ze vergeven; als jullie ze niet vergeven, dan blijven ze behouden.’
Deze woorden zijn in de kerkgeschiedenis vaak gebruikt om hiërarchie te rechtvaardigen alsof vergeving het exclusieve domein van priesters zou zijn. Maar vanochtend wil ik deze passage uit dat smalle kader halen. Het is geen machtsspreuk, maar scheppingstaal. Het is een uitnodiging aan ieder mens om mee te doen aan Gods creatieve beweging: om met onze blik, onze woorden en onze daden werkelijkheid mede vorm te geven.
En precies daar sluit het kwantumdenken verrassend goed bij aan. Want daarin ben je nooit een neutrale toeschouwer. Hoe je kijkt, beïnvloedt wat er zichtbaar wordt. Niets ligt helemaal vast; er zijn altijd meerdere mogelijkheden aanwezig, tot iemand kijkt en één ervan oplicht.
Voor de moderne Griekse theoloog en filosoof Christos Yannaras is dit precies waartoe de mens geroepen is. Hij verbindt het met het woord verlossing. Voor hem is verlossing niet alleen anders leren kijken, maar een keren naar de waarheid: naar de God die blijft geven op een manier die al onze concepten te boven gaat; naar de verborgen diepte van wie wij zelf zijn; en naar het aangezicht van de aarde, dat we opnieuw leren zien in haar onpeilbare verbanden.
Wanneer God zijn adem zendt, zegt Yannaras, begint de schepping opnieuw. De aarde krijgt een nieuw gelaat. Diezelfde beweging van de Geest raakt ook ons: ons denken, onze liefde, onze manier van kijken. Het opent iets in ons, zodat we de wereld niet vanuit angst of controle  benaderen, maar vanuit ontvankelijkheid en betrokkenheid.
Misschien moeten we in dát licht ook de woorden van Jezus horen over vergeven: niet als een exclusieve bevoegdheid, maar als deelname aan die beweging van de Geest die ruimte schept, relaties herstelt en de werkelijkheid opnieuw laat oplichten. Vergeven is dan: meewerken aan die
opening. En precies daar raakt zijn gedachte aan wat Tomas Tranströmer in zijn gedicht beschrijft: dat er, midden in onze geslotenheid, ineens een opening kan ontstaan. Een helderheid die niet van onszelf komt, maar die ons vindt. Waarin de wereld even haar ware gezicht laat zien: wijder, lichter, meer verbonden dan we dachten.
En misschien is dat wel de diepste belofte van Pasen: dat wij niet als losse ikken door het leven hoeven te gaan, maar als mensen die vanaf het begin in relatie bestaan. In die zin worden we allemaal minstens als tweeling geboren: open, afgestemd, vol potentie. Gaandeweg sluiten we deuren en raken we verstrikt in verhalen over wie wij zijn en wie de ander is. Maar de adem van de Levende opent die eerste ruimte opnieuw. Hij herinnert ons eraan dat verbondenheid niet iets is wat we moeten maken, maar iets wat ons draagt vanaf het begin. Pasen zegt: je mag weer leven vanuit dat oorspronkelijke wij, dat veld van mogelijkheden, van openheid, van wederkerigheid. Vanuit de waarheid dat wat ooit verbonden was, verbonden blijft, al verandert de vorm waarin het zichtbaar wordt. En misschien is het precies die beweging van opening en herademing waarin wij ons straks mogen voegen wanneer we zingen: Adem, jij die liefde bent, denk in mij, kijk in mij, spreek in mij, juich in mij.

We lazen Johannes 20: 19 – 23 en Tomas Tranströmer Vermeer (fragment)