Overweging gehouden op 15 februari 2026 in de Dominicus Amsterdam
Werk, we geven er vaak het grootste deel van onze tijd aan, maar het is de plek waar we onszelf het minst laten zien.
Kwetsbaarheid voelt er al snel als een risico: iets dat je positie kan schaden, iets dat je beter kunt verbergen. En juist daardoor lopen veel werknemers rond met een stil gevoel van vervreemding. Niet meer helemaal thuis zijn, niet meer veilig, alsof er iets schuurt tussen wie je bent en wat er van je verwacht wordt. Die vervreemding groeit wanneer we er niet over spreken. We houden onze innerlijke ervaringen binnen, uit angst om te veel te zijn, te weinig te zijn, of simpelweg niet passend in de rol die we denken te moeten spelen.
Dat onuitgesprokene blijft niet zonder gevolgen. Een groot deel van het verzuim, naar schatting zo’n 60 tot 70 procent, is niet medisch van aard maar hangt samen met psychosociale factoren. Mensen vallen uit omdat er iets in hen vastloopt, schuurt of uitgeput raakt. De eerste interventies richten zich bijna altijd op houding en gedrag: wat rust nemen, een goed gesprek met de leidinggevende over taken en verantwoordelijkheden, misschien een coachingstraject over grenzen stellen. Allemaal waardevol, maar niet altijd helend.
Want dat zachte weten blijft er, dat bijvoorbeeld zegt: ‘Dit is niet meer mijn plek. Dit klopt niet meer’. En de ontdekking dat dit niet op te lossen is met een paar nachten goed slapen of een training. Dat je iets hebt uit te zoeken. Dat is de erkenning dat er sprake is van zielenood, zo noem ik dat.
En de erkenning dat die nood niet te adresseren is op de laag van gedrag of vaardigheden. Zielenood vraagt om ruimte. Om lucht. Om lange wandelingen alleen, maar ook om goede gesprekken. Gesprekken die uitnodigen om te onderzoeken wat er knelt of niet klopt. Een gespreksruimte die niet meteen dichtgesmeerd wordt met adviezen of tips, maar waar je mag landen met wat er werkelijk in je leeft.
Er is binnen de bedrijfsgezondheidszorg meer aandacht gekomen voor die nood. Bedrijfsartsen kunnen sinds een paar jaar doorverwijzen naar zielzorg: geestelijk verzorgers die mensen begeleiden bij existentiële vragen, verlieservaringen, morele spanningen en dat stille gevoel van niet‑meer‑passen.
Het is eigenlijk geen nieuw terrein, vroeger bestond dit al in de vorm van arbeidspastoraat. Maar het krijgt nu opnieuw erkenning als een wezenlijk onderdeel van zorg voor werkenden. Ik ben daar op een bijzondere manier bij betrokken. Ik ben zelf geestelijk verzorger, maar ook verantwoordelijk voor de groei van een bedrijf dat deze vorm van zielzorg beschikbaar stelt aan werknemers. En mijn missie is om ruimte te maken voor de ziel in organisaties. Of anders gezegd: ruimte maken voor Abel. Want het verhaal van Kaïn en Abel raakt aan de kern van wat ik in organisaties tegenkom.
Kaïn en Abel: misschien wel de vaandeldragers van deze hele serie over kracht en kwetsbaarheid. Kaïn, wiens naam ‘maken’ of ‘verwerven’ betekent, is de doener, de bouwer, de krijger. Abel, Hèvèl in het Hebreeuws, betekent lucht, damp, iets dat verschijnt en zo weer kan verdwijnen. Liefkozend zouden we hem pluisje of wolkje kunnen noemen. Het verhaal van Kaïn en Abel is het verhaal van kracht en kwetsbaarheid: de maker en het pluisje. En dat spanningsveld leeft in ieder mens, en zeker in iedere werknemer.
Het is een van de bekendste verhalen uit de Bijbel. Misschien heeft u er ook nog beeld bij: de schoolprenten waarop de rookpluim van Abels offer wel omhoog gaat en die van Kaïn niet. Soms zelfs een hand uit een wolk die Abels offer aanneemt. Maar in het verhaal zelf is er geen rookpluim en geen hand uit de hemel. Het is allemaal veel subtieler. Er staat alleen dat het oog van de Levende valt op het offer van Abel en niet op dat van Kaïn.
En dan gebeurt er iets. Kaïn wordt ontzettend kwaad, en de Levende vraagt: “Waarom is je gezicht verstrakt?” De Naardense Bijbel vertaalt het als: “Waarom zijn je aanschijnstrekken zo vervallen?” Letterlijk staat er: “Waarom is je gezicht gevallen?” Dat wordt meestal vertaald met woede, misschien terecht, maar ik verbind het ook met schaamte. Met letterlijk gezichtsverlies. We kijken hier naar een close‑up van een relatiecrisis: ogen die wegkijken, een gezicht dat valt.
Dit is het oerverhaal waar het grootste deel van ons verzuim op werk ten diepste mee verwant is. Verzuim heeft vaak te maken met een niet‑gezien worden. Met het gevoel dat het werk dat je doet, het offer dat je brengt, niet wordt gewaardeerd, niet wordt opgemerkt, of niet meer bijdraagt aan een groter geheel. Dat maakt het gezicht strak, het lijf gespannen, de kaken geklemd. En uiteindelijk leidt het tot verzuim of vertrek in allerlei vormen.
Het oog van de Levende richt zich precies op wat wij vaak niet zien op de werkvloer: op Abel. Op het kwetsbare, het ijle, het nauwelijks zichtbare. Op wat zich niet laat vangen in productiviteit of meetbaarheid. Abel wordt zo een metafoor voor de ziel, de ziel in ons, in de ander, in de wereld. Dat subtiele, niet meetbare in ons dat leven geeft, en dat sterft wanneer we het negeren.
En Kaïn belichaamt precies dat deel in ons dat wij vaak “ego” noemen: het ‘ik’ dat wil maken, verwerven, erkend worden. Het ‘ik’ dat vergelijkt, verdedigt, zich tekortgedaan voelt. Dat deel is niet slecht, het hoort bij mens‑zijn, maar het kan de ontwikkeling van een waardige ziel belemmeren wanneer het de enige stem is die gehoord wordt.
Die goddelijke blik op Abel is een spiegel van wat Martin Buber de Ik–Jij relatie noemt: de ontmoeting waarin je de ander ziet als mens, niet als functie of middel. Daartegenover staat de Ik–Het relatie, waarin de wereld iets wordt dat beheerst, gemeten en georganiseerd moet worden. Veel werkrelaties zijn zo geworden: functioneel, instrumenteel, gericht op productie. In zo’n verhouding trekt het wezenlijke zich terug. De ziel krijgt geen ruimte. De ontmoeting verdwijnt.
En precies daar begint de vervreemding. Het losraken van de bron van leven, alsof je niet langer meebeweegt met de rivier die je draagt, je levensrivier. Dat is ontheemdheid. Dat je geen verbinding meer ervaart met het werk dat je doet, dat geld of zekerheid het enige lijkt waarvoor je het nog doet. In het verhaal van Kaïn wordt dat land van vervreemding letterlijk benoemd: Nod, het land van omzwervingen, van nergens thuishoren.
Filosofe Simone Weil zegt dat het gebrek aan inzicht in de behoeften van de menselijke ziel een wereld op drift heeft gebracht. Zij wijst erop dat een ziel niet alleen voeding nodig heeft, maar ook worteling, aandacht en waarheid.
En dat wanneer die ontbreken, mensen innerlijk beginnen te verharden en te verstrakken. In die verharding herkennen we Kaïn: de mens die zijn kwetsbaarheid verliest en daardoor ook zijn vermogen tot relatie.
Op de werkvloer wordt zichtbaar dat steeds meer mensen in dat land van Nod belanden. Het laat zich voelen in het stijgende verzuim en in andere vormen van afwezigheid. Het kan niet langer genegeerd worden. En dus is er meer aandacht voor “wellbeing” op de werkvloer. Maar vaak krijgt die aandacht de vorm van programma’s die vooral gericht zijn op duurzame inzetbaarheid: mensen weer laten functioneren, productief houden, terugbrengen in het ritme. Dat is de blik op Kain. Het raakt zelden aan de zielsniveau‑vragen die mensen werkelijk bezighouden.
En ook wij, geestelijk verzorgers in organisaties, moeten ervoor waken dat zingeving niet instrumenteel wordt, geen middel om mensen beter te laten presteren, maar een ruimte waar Abel mag verschijnen. Want zodra zielzorg een functie krijgt in dienst van efficiëntie, verliezen we precies datgene wat het tot zielzorg maakt.
Misschien is dit wel de vraag die we elkaar vandaag opnieuw moeten durven stellen: hoe voorkomen we dat wijzelf en de mensen om ons heen verder afglijden naar het land van Nod? Hoe doorbreken we de verharding die ontstaat wanneer kwetsbaarheid geen plek meer krijgt?
De Schrift reikt ons richtinggevende vragen aan:
Waar ben je, mens? Waar is je broeder?
Niet als oordeel, maar als uitnodiging om stil te staan, om te zien wat kwetsbaar is, in jezelf én in de ander. Want heling begint niet bij protocollen, maar bij aandacht. Bij een blik die ruimte maakt. Bij aanwezigheid die niet meet, maar ontmoet.
Waar ben je? Waar is je broeder?
Wanneer we die vragen serieus nemen, ontstaat er ruimte voor Abel: voor zachtheid, voor leven, voor wat niet rendeert maar wel draagt. Dan wordt werk opnieuw een plek van menselijkheid en wederkerigheid.
En in dat besef worden we herinnerd aan onze roeping: mens te zijn voor een mens.