Overweging in Dominicus Amsterdam 15 juni 2025
Ben jij er zo een? Die graag ergens ruim voor tijd aanwezig is? Het lukt me niet altijd, maar ik houd er van om even te landen op de plek waar ik moet zijn. En ik weet dat er hier ook altijd mensen zijn die al om half elf aanwezig zijn. Niet omdat ze moeten zingen of iets moeten doen maar omdat ze willen wachten op wat komen gaat. Van György Konrád, de Hongaarse schrijver, is bekend dat hij degene die te laat kwam op een afspraak altijd uitvoerig bedankte. Want juist het gedwongen wachten had hem in de tijd doen opgaan en op gedachten gebracht.
Dát is de betovering van de tussentijd. Ik vermoed dat deze tussentijd als ervaring schaarser is geworden omdat we meteen naar onze telefoon grijpen. In de commerciële wereld is wachten een zonde. Daar bestaan zelfs speciale wacht-verzachters.
Gelukkig is er nog een tussentijd die niet bedreigd wordt en waar jong en oud nog geheel in opgenomen wordt. Het gaat dan om de intense ervaring van wachten die je hebt als je verliefd bent. We zeggen weleens: de afwezige is de meest aanwezige. Nu, dat geldt helemaal voor díe afwezige waar je verliefd op bent of waar je heel erg naar verlangt. De filosoof Roland Barthes noemt het wachten zelfs een wezenlijk kenmerk van iemand die verliefd is. Hij benadrukt dat dit een existentiële ervaring is die je volledig in beslag kan nemen. Het is een moment waarin tijd lijkt stil te staan, en waarin je je volledig richt op het object van jouw liefde. Als een roes. Het idee van Barthes benadrukt hoe verliefdheid niet alleen draait om samenzijn, maar ook om de afwezigheid en het verlangen dat daarmee gepaard gaat.
Die roes van het wachten brengt de Perzische dichter en mysticus Rumi onder woorden in zijn gedicht ‘Ik denk aan jou’. Hij schrijft: “De dagen en de nachten doorbrengen is voor mij alleen maar wachten en wachten, dag en nacht. Jij hebt als een karavaanleider het leidsel in je hand en ik, ik loop in de lijn van je karavaan, dag en nacht.”
Nou, dan heeft de liefde je wel te pakken, als je zo smacht, dag én nacht. Als Rumi in deze tijd zou leven en deze ervaring op z’n digitale tijdlijn zou zetten, dan denk ik dat hij het advies zou krijgen om uit die toxische relatie te stappen. ‘Altijd het stuur in handen houden’, dat is wat we door schade en schande geleerd hebben en nu aan elkaar doorgeven als belangrijkste les in de liefde.
En het heeft voor ons ook iets ouderwets, dat hunkeren en smachten op afstand zonder er iets mee te doen. Ik denk dan meteen aan de hoofse liefde in ridderromans. Of aan de jaren 50 toen het windowshoppen een populair uitje werd: kijken, kijken en niet kopen. In deze tijd zeggen we: je moet de kat niet op het spek binden. Als je geen geld hebt, kun je beter niet langs de etalages. En als je maar een gewone jongen bent, kun je maar beter niet verliefd worden op iemand van adel.
Wij gaan er tegenwoordig blijkbaar vanuit dat verlangens altijd vervuld moeten worden. We waarderen verlangen vooral als opmaat naar vervulling. En als we het al als iets eigenstandigs waarderen dan is dat vaak negatief. Verlangen is lijden en haalt je weg uit het hier en nu. Die roes van het wachten zien we dan als iets wat ons verslaafd en onvrij maakt.
Ik vraag wel eens aan mensen wat ze verlangen en mij valt op dat die vraag meestal schroom oproept. Men haast zich dan te zeggen dat ze alles al hebben. Alleen kinderen kunnen nog zonder gêne een lange verlanglijst maken met onhaalbare verlangens zoals een paard in de achtertuin of een zwembad vol hagelslag. Volwassenen maken geen verlanglijsten meer. Dat zal deels voortkomen uit onze calvinistische volksaard. Maar ook ons geloof in de maakbaarheid van alles, die ons voorhoudt dat alles te bereiken is met de juiste inzet en keuze. Dat laat weinig ruimte voor verlangens die niet direct rationeel of haalbaar zijn. Ter illustratie: ik was laatst uitgenodigd voor een leiderschapsdag en daar werd ons ingepeperd dat je met wachten en hopen niets opschiet. Wat voor zielenpoot ben je als je gaat zitten verlangen en wachten: wees een leider! Just do it!
En zo zijn we van verlanglijst naar bucketlist gegaan. Van wachten naar afvinken.
Terwijl dat verlangen, dat vol overgave wachten, dat zijn heel wezenlijke activiteiten. Roland Barthes spreekt niet over een roes maar over betovering. Hij beschrijft hoe we in dat wachten die ander tevoorschijn toveren. Daarmee scheppen we dát waar we op wachten. Het is niet passief maar een actieve vorm van aanwezigheid en voorbereiding. Wachten is gevuld met emotie, energie en innerlijke dialogen. Voor Rumi is het een heilige staat van zijn. Wachten zuivert en verheft de ziel. Het is zelfs een essentieel onderdeel van de transformatie en groei van de ziel.
In psalm 130, een zogenoemde boetepsalm, gaat het ook over deze transformerende en bezielende kwaliteit van het wachten. Gerard Swüste gebruikt in zijn vertaling bewust het woord smachten in plaats van wachten. Het Nederlandse smachten is een krachtig woord dat die intense hunkering en onbereikbaarheid uitdrukt. Volgens Swüste gaat het hier om een intentioneel wachten: het is wachten met het hart en niet met het horloge. Hij vertaalt het zo: “Met hart en ziel smacht ik naar mijn machtige, meer dan wachters naar de ochtend, wachtend op de ochtend. Smacht naar de Levende!”
Dat smachten komt altijd uit de diepste diepte in ons: onze zielenplek. Het gaat voorbij aan de lusten of de driften. Die hebben de dichter juist vervreemd van zichzelf. De psalmist verlangt verlossing van dat. Nu is er alleen nog dat diepste verlangen, naar een nieuw begin, naar een thuiskomen bij de Levende. Het woord be-longing heeft die prachtige dubbelzinnigheid in het Engels, dat uitdrukt hoe het smachten een daad van verbinding is met dat wat onbereikbaar is.
Misschien is dat ook wat we te doen hebben, wanneer we ons vervreemd en verweesd voelen, wanneer we ons eenzaam voelen. Wanneer we niet meer thuis kunnen komen in deze wereld. Het gebrek aan deze ‘sense of be- longing’ gaat misschien wel hier over: dat we niet meer durven of kunnen smachten naar wat onbereikbaar is, zoals een eeuwig leven of vrede op aarde. Dat we dat smachten hiernaar niet meer erkennen als een wezenlijke en vormende levenshouding, die we kunnen oefenen en cultiveren en die ons verbindt met wat ons aan het hart gaat en die niet afhangt van hoe realistisch of doeltreffend dat verlangen is.
Het
verdwijnen van die roes van het wachten is merkbaar op het politieke toneel.
Het script van politieke leiders is niet meer: ‘Ik heb een droom’ maar ‘Ik heb
de oplossing’. En wie denkt dat hij de
oplossing heeft, verliest zijn vermogen om te wachten. Die zegt tegen zichzelf:
wat voor zielenpoot ben je nog, dat je gaat zitten wachten en hopen. Just do
it!
Waar wacht je eigenlijk op? Misschien moeten we onszelf en elkaar wat vaker die vraag stellen. Niet als aansporing om in actie te komen of om een bucketlist te maken. Maar als uitnodiging om, net als een kind, zonder gêne te verlangen naar wat onbereikbaar of onhaalbaar lijkt. En dat vraagt om een innerlijke dialoog, om verbeelding, om het ontsluiten van die diepte in ons van waaruit een smeekbede kan opkomen.
En misschien zelfs, vraagt het van ons om te durven zijn als een verliefde, wachtend op de Levende. Zoals Rumi. En zoals bezongen in het lied Tussen de Tijd:
“Want daar, tussen de tijd, in woorden en gebroken zinnen klinkt zacht in mij, aanhoudend door mijn botten heen tot in het diepste ruggenmerg en daar nog boven… Een zin van ragfijn draad omspoeld: ik zal er zijn.” (lied: Tussen de tijd)