een greep uit mijn boekenkast….

 

Een relevant boek in een tijd waarin de roep om minder ‘papierwerk’en ‘regelzucht’ voortdurend klinkt. Het leest lekker weg: hij gebruikt veel alledaagse biografische voorbeelden, verhelderende animaties en schema’. Maar bovenal: de opbouw van zijn boek is glashelder en consistent.

Verdraaide Organisaties gaat over mensen en hun regeldrift: bezien vanuit verschillende perspectieven. Zijn boek rekent af met de mythe van beheersbaarheid en is eigenlijk een grote oproep om meer vanuit de bedoeling te werken en minder vanuit systemen.

 

Een prachtig boek! Je zou het als inleiding in de bijbelwetenschappen kunnen lezen. En tegelijk is het ook voor theologen interessant omdat beide auteurs de moeite hebben genomen om hun eigen geleerdheid opzij te zetten en ruimte te geven aan hun nieuwsgierigheid en verwondering. Dat komt tot uitdrukking in hun schrijfstijl: toegankelijk en inhoudelijk, maar niet te academisch. Ze relateren vaak ook aan gebeurtenissen uit hun eigen leven. En nog reden om dit te lezen: er komt een grote verscheidenheid aan filosofen, psychologen, sociologen en theologen aan bod.

‘Maak van je lot een plot’, dat is in een zin de strekking van dit boek! Ik vond het vooral interessant omdat het geschreven is door een theatermaakster en niet door een theoloog, filosoof of psychotherapeut. Want de inhoud is niet nieuw maar door de ogen van een dramaturg toch wel weer verfrissend en inspirerend. En sowieso is dit boek in alle opzichten ook echt het verhaal van mijn leven. Verhalen, narrativiteit, zingeving en de overtuiging dat we een enorme transformatieve kracht in ons hebben, dat zijn belangrijke elementen en uitgangspunten in mijn leven. ‘Verhalen maken zit in onze menselijke psyche ingebakken. Zodra we ons daar meer bewust van zijn, kunnen we ons verhaal sturen en bijsturen en zo meer vitaliteit aanboren.’ ‘Het is misschien wel de belangrijkste opgave van ons menszijn om aspecten waarvan we het bestaan niet vermoeden aan te spreken en wakker te maken.’ ‘Er zijn altijd nieuwe persectieven mogelijk die leiden tot nieuwe waarden en een hernieuwde levensenergie.’ ‘Je vindt jezelf opnieuw uit en dat is precies wat het leven met regelmaat van je vraagt.’

Een prachtig naslagwerk voor een ieder die te maken heeft met leerprocessen. In het onderwijs maar ook in het bedrijfsleven. Ik kwam met dit werk in aanraking doordat ik een masterclass bijwoonde van Robert-Jan Simons over de lerende professional en leerlandschappen. Heel interessant en ook herkenbaar waren de kenmerken van een professioneel. En inzichtelijk was het om het leerlandschap van onze organisatie in kaart te brengen.

 

Een pittig pleidooi om te lezen maar wel zeer inspirerend. Rosa wisselt gedegen sociologische grondslagen af met filosofische verhandelingen maar ook met concrete en alledaagse illustraties van eerdere theoretisch redevoeringen. Rosa houdt een pleidooi voor resonantie nadat hij eerst uitvoerig heeft aangetoond dat onze hedendaagse wereld gekenmerkt wordt door vervreemding. Hij doet dat eerst en vooral door het fenomeen van maatschappelijk versnelling uitvoerig en grondig te introduceren. Die maatschappelijke versnelling leidt tot nieuwe ervaringen van tijd en ruimte, nieuwe sociale interactievormen en nieuwe vormen van subjectiviteit. Dat leidt vervolgens tot een transformatie van de manier waarop mensen zich in de wereld geplaatst of geworpen voelen. Ik deel nu graag enkele passages die me bijzonder interesseerde.

p.128 “Naar mijn idee (en op basis van empirische gegevens) is een burn-out niet het gevolg van te veel werk en ook niet van de noodzaak om zo hard te lopen, maar van het ontbreken van enig duidelijk doel aan de horizon. Dat we ‘steeds harder moeten lopen om onze plaats te behouden’put de mensen uit. Dat we altijd maar weer moeten groeien, versnellen en innoveren om overeind te blijven staan en niet af te glijden naar een crisis, leidt naar een existentiële onmogelijkheid. … Een burn-out moet dan dus worden begrepen als een extreme vorm van de vervreemding zoals ik die in dit boek heb geprobeerd te schetsen.”

p.130 “Door het vestigen en veiligstellen van resonantieruimtes kunnen we ons weer een deel voelen van de wereld waarin we leven.”

Een heerlijk boek! Om twee redenen: Claudia neemt je mee op bezoek bij bekende ‘oudere’ Nederlanders en beschrijft heel beeldend hoe ze daar dan aan de keukentafels gesprekken voerde over het leven. En: Er staan echt hele waardevolle levensinzichten in. Niet in moeilijke taal, maar gewoon recht door zee. Bijvoorbeeld: “Schrijf een brief! Ga ervoor zitten en verwoord wat je denkt of voelt. Het doet ertoe. Het helpt.” Of: ‘Shit is goed. Het belangrijkste in het leven is misschien wel dat je met teleurstellingen leert omgaan.

Een prachtig essay over het belang van melancholie en hoe je melancholie ‘gezond’houdt en niet laat omslaan in depressiviteit. Ze beschrijft de wortel van de melancholieke stemming: het verlies van de kindertijd en het besef van vergankelijkheid. Liefde en creativiteit (kunst) zijn onontbeerlijk voor een niet- pathologische ontwikkeling van de melancholie. Ze zijn noodzakelijk om de verbinding tussen buitenwereld en binnenwereld, ik en de ander te kunnen maken. Zonder deze inspiratie raakt de mens van zijn eigen kern vervreemdt. Melancholie in haar gezonde vorm is een contemplatieve pauze die voorafgaat aan de verkenning van nieuwe mogelijkheden. Dit essay laat zich ook zeker lezen als een kritische noot bij onze huidige tijdsgeest. Over depressiviteit schrijft ze bijvoorbeeld: pillen kunnen oppervlakkige pijn verlichten, maar hebben geen invloed op de persoonlijke, onbewuste waarheid die alleen via gesprekken aan het licht kan komen.

wilskracht

Een indrukwekkende studie naar de betekenis van wilskracht in een mensenleven. De mate van zelfbeheersing is een betere indicator van succes dan het IQ. Mensen met goede zelfbeheersing blijken uitzonderlijk goed in staat veilige en bevredigende relaties met anderen te vormen en onderhouden en zijn emotioneel stabieler. Maar: wilskracht is eindig en raakt uitgeput bij gebruik. Het nemen van besluiten kost bijvoorbeeld immens veel wilskracht. De Rubicon oversteken blijkt geestelijk zware arbeid. Beslissingsmoeheid beïnvloedt alles. Iedereen wordt er elke dag door beïnvloed. Om je wilskracht optimaal te benutten kun je het beste een deel ervan gebruiken voor voldoende slaap. En: geen glucose, geen wilskracht. Dat verklaarde voor mij waarom collectanten altijd vlak voor etenstijd bij mij aan de deur staan…

Een beperkte, concrete focus op het hier en nu gaat zelfbeheersing tegen. Terwijl een brede abstracte focus op de lange termijn deze bevordert. Dat is een reden waarom gelovigen relatief hoog scoren op zelfbeheersing. De zelfbeheersing van gelovigen komt niet enkel voort uit angst voor Gods toorn, maar uit het waardestelsel dat zij zich hebben eigen gemaakt en dat hun persoonlijke doelen heiligt. Opmerkelijk vond ik de opmerkingen in dit boek t.a.v. opvoeding van kinderen. De auteurs stellen dat zelfwaardering kinderen niet succesvoller. eerlijker of anderszins betere burgers maakt. Wat de rol van de genen ook mag zijn, kinderen uit eenoudergezinnen worden beïnvloed door een voor de hand liggende omgevingsfactor: er zijn minder ogen die toezicht houden. En controle is een cruciaal aspect van zelfbeheersing en twee ouders zien meer dan een. Wie kinderen alleen opvoedt, is zo druk bezig met elementaire zaken zoals de kost verdienen, de kinderen gezond houden, etc. dat het opstellen en handhaven van regels op de tweede of derde plaats komt. Twee ouders kunnen de taken verdelen zodat ze meer tijd en fut hebben voor karaktervorming van hun kinderen, aldus de auteurs. Hoe meer kinderen gecontroleerd worden, hoe meer ze gelegenheid hebben zelfbeheersing aan te leren.

Unknown

”Voor Levinas heeft uniciteit echter niet te maken met de eigenschappen waarin ik verschil van alle anderen. Het gaat, anders gezegd, niet om wat ieder van ons uniek maakt. In plaats daarvan zoekt hij naar situaties waarin het ertoe doet dat ik uniek ben, dat wil zeggen, situaties waarin ik niet door iemand anders kan worden vervangen. Hier gaat het om situaties waarin iemand mij aanspreekt, waarin iemand een beroep op mij doet, situaties waarin ik word uitgekozen door de ander. Dit zijn geen situaties waarin ik uniek ben maar situaties waarin mijn unicitieit ertoe doet– waar het ertoe doet dat ik ik ben en niemand anders. Dit zijn situaties waarin ik gesingualiseerd word, situaties waar uniciteit- als- onvervangbaarheid verschijnt, en dus situaties waarin de gebeurtenis van subjectiviteit plaatsvindt. Subjectiviteit -als-onvervangbaarheid, subjectiviteit-als-verantwoordelijkheid moet daarom niet begrepen worden als een andere manier van zijn van het subject, omdat, zoals Levinas beticht, ‘anders-zijn nog steeds zijn is’ (levinas, 1981, 100). De uniciteit van het subject en subjectiviteit-als-uniciteit verschijnen daarmee in het domein dat; voorbij het zijn’ ligt; een niet-plaats of ‘non-lieu’ zoals Levinas dat noemt (Levinas,1981,89) die anders is dan zijn, of het wezen voorbij.” (p.38) “Als we Levinas verder volgen in zijn suggestie dat uniciteit geen kwestie is van essentie maar existentie, dat het geen kwestie is van zijn maar van ‘anders dan zijn’, van ‘het wezen voorbij’, dan volgt daaruit dat subjectiviteit of subjectheid niet langer kan worden opgevat als een kenmerk van iets (letterlijk van een iets). In plaats daarvan wordt subjectiviteit een gebeurtenis: iets wat soms kan plaatsvinden, wat soms kan verschijnen, in plaats van iets wat er voortdurend is, iets wat we kunnen bezitten, waarover we kunnen beschikken, en iets wat we zeker kunnen stellen.” (p.39) “Als de mogelijkheid voor de gebeurtenis van subjectiviteit te maken heeft met die situaties waarin we worden aangesproken waarin we worden uitgekozen, waarin we worden opgeroepen om verantwoordelijkheid te nemen voor onze verantwoordelijkheid, dan is een van de belangrijkste dingen die onderwijzers kunnen doen ervoor te zorgen dat onze onderwijsarrangementen- onze curricula, onze pedagogie, onze lesplannen, de manier waarop we onze scholen besturen en ontwerpen en de manieren waarop we onderwijs vormgeven in onze samenleving – leerlingen niet afhouden van dit soort ervaringen. ” (p.41 en 42)

“De vergelijking van Climacus en Levinas is van belang omdat het duidelijk helpt te maken dat de ervaring van onderwezen worden, de ervaring van het ontvangen van het geschenk van lesgeven, geen ervaring is die kan worden geproduceerd door de leraar. Daarmee is de kracht van de leraar zwak en existentieel, een kracht die steunt op interactie en ontmoeting, en niet een sterke, metafysische kracht. Het is precies op deze wijze dat Derida’s observatie kan worden begrepen dat het schenken van een geschenk ‘het geven van iets is waarover jezelf niet beschikt’ (Derrida, geciteerd in Caputo & Vattimo, 2007, 135), en dit is geheel juist waar dit het geschenk van lesgeven betreft. Of iemand iets zal worden bijgebracht door hetgeen de leraar onderwijst, ligt voorbij de controle en het vermogen van de leraar (zie ook Saeverot, 2011). Dit wil echter niet zeggen dat het niet uitmaakt wat de leraar doet (zie hieronder). Als we op deze manier kijken naar lesgeven en onderwezen worden, dat zouden we zelfs kunnen stellen dat, op deze wijze beschouwd, de identiteit van de leeraar moet worden begrepen als een sporadische identiteit, een identiteit die alleen tevoorschijn komt op die momenten dat het geschenk van lesgeven wordt ontvangen. Het is geen identiteit die door de leraar kan worden geclaimd; het is geen identiteit die in het veilige bezit van de leraar kan zijn. Het is eerder een mogelijkheid om rekening mee te houden, een mogelijkheid om mee te werken in ons werk als leraren. Iemand een leraar noemen is daarom uiteindelijk geen zaak van verwijzen naar een beroepsnaam of een professie, maar een soort compliment dat we geven wanneer we erkennen- en wanneer we in staat zijn te erkennen- dat iemand ons inderdaad iets heeft bijgebracht, dat iemand ons inderdaad iets heeft onthuld en dat ons zodoende iets is bijgebracht.” (p.83 en 84)

eye

“Omdat mensen geen waardevrije maar waarderende wezens zijn, blijven leraren van belang om met de leerlingen betekenis te ontdekken in en betekenis te geven aan de opgedane kennis en inzichten. Het is daarom belangrijk wie jouw leraren zijn. In alle opzichten is de leraar een normatieve persoon.”(p.25) “Leraarschap komt pas tot zijn recht wanneer de leerling geholpen wordt om het geleerde te duiden, er de betekenis van te ontdekken of er betekenis aan te geven. daarvoor is het nodig dat de leraar en de leerling deel uitmaken van een verband met anderen. Een verband waarin met elkaar nagedacht wordt over betekenissen en waarin samen vreugde en verdriet gedeeld wordt.” (p.27) “De essentie van onderwijs is dat het niet om de winst gaat (zo zeggen wij Nussbaum na), maar om de vorming van de ziel. Wie als onderwijsdoel heeft leerlingen competent te maken voor het op eigen wijze leven in en bijdragen aan de samenleving, dient te beseffen dat er pas echt geleerd wordt als er aandacht is voor kritische reflectie, waarderen en zin ervaren. Juist in een tijd waarin de betekeniskaders  niet meer helder zijn, zal school daar aandacht aan moeten besteden. School biedt daarvoor een verband. Een verband dat mede door leraren en leerlingen bezield wordt, maar dat ook omgekeerd voor leraren en leerlingen een bezielend verband is.”(p.33) “De vergevingsgezindheid van Mandela kwam niet voort uit morele krachtpatserij, niet uit het idee dat hij een heilige was die anderen absolutie moest verlenen, maar uit het besef dat in iedereen zowel het kwade schuilt als het goede.” (p.66) “Vertrouwen is een kernwaarde die vooral het hart betreft. het gaat erom het leven met vertrouwen tegemoet te zien. om ergens zekerheid te vinden, ook als er weinig reden is tot vertrouwen in de goede afloop. hier ligt het hart van de persoonlijke vorming. kan de leerling het leven aan?” (p.78)

index“De vroegste teksten die er bestaan van de homo sapiens wijzen erop dat we kunstvormen in dezelfde periode creëerden als religieuze stelsels en vaak om dezelfde redenen. Onze neocortex heeft ons tot wezens gemaakt die naar betekenis zoeken. Daardoor zijn we ons scherp bewust van het verwarrende en het tragische van ons leven, en als we niet een of andere diepere zin in ons leven ontdekken, vervallen we gemakkelijk tot wanhoop. Zowel in kunst als in religie kunnen we een manier vinden om ons te ontsnappen en de ‘zachtheid’ en de ‘plooibaarheid’ te ontwikkelen, die ons naar elkaar trekt. Kunst en religie brengen ons beide naar een nieuwe plek binnen onszelf, waar we een bepaalde mate van sereniteit vinden.” (p.22) “…dankbaarheid, compassie en altruïsme verbreden ons blikveld en slechten de barricaden die we tussen onszelf en anderen oprichten in een vergeefse poging het angstige, hebzuchtige en onzekere ego te beschermen.” (p.49) “De geloofstradities zijn het erover eens dat compassie de betrouwbaarste manier is om het zelf op de juiste plaats te zetten, omdat we daartoe ‘altijd en overal’ onszelf moeten weghalen uit het middelpunt van onze wereld en een ander daar laten plaatsnemen.” (p.98) “..wanneer we naar het kruisbeeld kijken, breekt ons hart van sympathie en medeleven… en juist die innerlijke beroering van compassie en instinctieve empathie kan ons redden.” (p.104) Lijden is niet alleen een vast onderdeel van het mensenleven , maar ook onmisbaar bij de zoektocht naar wijsheid. “Het voorstellingsvermogen is van cruciaal belang voor een leven van compassie. …. Kunst roept ons op onze pijn en onze verlangens te erkennen en ons denken en voelen open te stellen voor anderen.” (p. 111)

 

index Een godsdienstpsychologisch onderzoek naar identificatie en christelijk geloof. Dit proefschrift was voor mij een eerste gedegen kennismaking met de narratieve benadering van identiteit. Hoewel dit een onderzoek is uit 1998, vind ik dit proefschrift nog steeds geweldig. Goed geschreven en nog steeds actueel. Dit proefschrift is onderdeel van het theoretisch kader dat ik gebruik in mijn werk op de hogeschool. Bijvoorbeeld bij de invulling van de twee projectweken over Identiteit. “Het westerse individualisme heeft een weerslag op de manier waarop mensen omgaan met zinvragen. Zo biedt de individualistische levenshouding weinig ruimte voor ervaringen van contingentie, voor dat wat de mens toevalt en overkomt. Interpretatiekaders van waaruit betekenis kan worden gegeven aan dergelijke ervaringen, stroken niet met de moderne idee van maakbaarheid. ” (p.107) “Het tot stand komen van een geloofsrelatie blijkt bemoeilijkt te worden wanneer respondenten op godsdienstig gebied een vaag narratief hanteren dat geen articulatie krijgt in godsdienstige praktijken en dat hun geen aanknopingspunten biedt voor identiteitsontwikkeling.” (p.285) “Identificatie definiëren wij als: invulling geven aan de eigen identiteit door zich in het perspectief van een (imaginaire) ander door wie men geraakt wordt te verplaatsen en hieraan richtinggevende commitments te ontlenen. Identiteit is besproken in termen van toewijding en zelfoverstijging; wij definiëren deze term als iemands perspectief, richting en toewijding in een sociaal gedefinieerde ruimte van morele en zinvragen, zoals retrospectief toegeëigend en prospectief uitgestippeld in iemands zelfnarratief. Iemands identiteit staat voortdurend in het spanningsveld van toe-eigening uit het verleden en hoopvolle gerichtheid op de toekomst.”(p. 286)

1001004011496864Vattimo houdt in dit werk een filosofisch betoog over de secularisatie van de godsdienst. De kern van het christendom is verwereldlijking. Juist het feit dat de politieke macht niet meer bij de paus ligt en dat veel van wat heilig leek, profaan is geworden, is de essentie van het christendom. Vattimo ziet secularisatie dus niet als iets negatiefs. De verzwakking, zo noemt hij het, is de essentie van het christendom. God wordt mens. Hij verwereldlijkt. Secularisatie is God die dichter bij de mens komt.

index“Het religieuze levensbesef ontwaakt wanneer je de weg kwijtraakt en de dingen uit handen geeft, wanneer je merkt in een toestand te zijn gebracht die je krachten te boven gaat, of staat voor iets dat machtiger is dan jij en waardoor je uit je hengsels wordt gelicht, iets dat een onmogelijkheid behelst gezien de beperktheid van je krachten. Het religieuze levensbesef breekt door wanneer de roepstem klinkt van het onmogelijke, van de mogelijkheid van het onmogelijke, gewekt door een onafzienbare en absolute toekomst. Hier is een gebied waar de dingen niet voor onze wil of kennis buigen. … Onze enige toevlucht is dan dat we ons aan ieder strootje vastklampen, dat wil zeggen: geloof en hoop te koesteren, en liefde voor deze mogelijkheid van een onmogelijke en onbeheersbare toekomst die niet in onze handen ligt. Liefde en hoop en geloof zijn de deugden van het onmogelijke, meetlat van de onmetelijke toekomst.”(p.15 -16)

9200000011443998 “Spirituele taal is een poging om het geheim van ons menselijk bestaan te raken, te doorgronden en om te vormen. Spreken over het heilige is een manier om te spreken over het bestaan zelf, over het hart, het wezen, de ziel, over onszelf en de samenleving en over het besef dat er van alles en nog wat gebeurt dat ons overkomt, overstijgt, aanspreekt en schept. Theologisch spreken gaat over ons menselijk bestaan ‘voor het aangezicht van God’ oftewel: in het licht van het heilige.” (p.31) “Het gaat de theoloog erom dat mensen een religieus verhaal vinden dat hen wijzer maakt. Creatief, open en verbindend zetten ze mensen aan om te spelen met het heilig vuur. Daarvoor hebben ze de waarheid niet nodig. Geloof, hoop en liefde zijn genoeg.” (p.63)

images“De mythe is een diepteverhaal dat zijn verticale spoor trekt door de horizontale gebeurtenissen. De mythe kan opkomen wanneer de ontmoeting van een individu met de ‘ziel’ uitgespeeld wordt binnen een specifieke culturele context. Die dieptevertelling kan dus resoneren met de ervaring van anderen en er een culturele betekenis aan geven. Het archetypische verhaal (de mythe) is niet onpersoonlijk; het is diep persoonlijk, en bovenpersoonlijk. De ‘geest’ kan niet chirurgisch gescheiden worden van het lichaam en evenmin kan de ‘mythe’ onttrokken worden aan de zin van het leven. De vraag is dus niet, of de mythe mogelijk is in het hedendaagse bestaan, maar hoe de mythe zich manifesteert in de ervaring van vandaag.” (p. 68)

1001004011551512“Want wat is, los van alle beelden omtrent jezelf, los van al je identificaties, los van de verschillende categorieën waarin je jezelf plaatst, los van elk houvast, gestript van de verschillende rollen die je speelt, je echte zelf? Wie ben je in je voor niemand te vatten uniciteit? De toegang daartoe is, dunkt me, je godgegeven eenzaamheid. Juist omdat je uniek bent en daarin onverhuld, naakt, echt, juist daarom ben je eenzaam. In die eenzaamheid ligt dan ook de ingang tot het besef wie je in diepste zin bent: dit unieke individu, deze enkeling.”(p.80)

“Op het moment dat er niets meer valt vast te houden, te grijpen en te begrijpen, op dat moment kun je niet anders dan het zo lang gekoesterde beeld van jezelf- het takje waaraan je boven de afgrond bungelt- loslaten. Je laat het takje waaraan je nog meent te hangen los, je laat jezelf los, zakt door de eigen grond heen en waagt de sprong in de peilloze diepte van het innerlijk. En dan? Nee, je valt niet te pletter maar keert in tot het hartsmysterie dat je in oorspronkelijke zin bent.” (p. 88)

9021137682 “De crisis waarin de huidige kerk verkeert, wordt naar mijn diepe overtuiging niet opgelost door enkel te streven naar een ‘verlicht’ en ‘geseculariseerd’ christendom. Wanneer men zich enkel zou afzetten tegen bekrompen dogma’s, een geknecht geweten zou bevrijden, centralistische gezagsstructuren zou afbouwen, zich zou inzetten voor maatschappelijke bevrijding en ecologische revitalisering, dan betreft dat zaken, die, hoe belangrijk ook, de wezenlijke opdracht van een kerk niet raken, zaken die in principe gemeengoed zijn geworden voor elk modern mens. Je hebt daarvoor geen kerken nodig. De grondreden voor het bestaan van een gemeenschap als de kerk, de eeuwen door, is een mens (ook de hedendaagse dus) te helpen bij het maken van de oversteek van een profane naar een sacrale werkelijkheid. De kerk dient op de eerste plaats een ruimte te zijn voor inwijding in het symbolisch bewustzijn. Zij moet een plek zijn waar een mens geholpen wordt tot religieuze bewustwording te komen.” (p. 180)

 

9200000010047009 “De Kerk is in haar verschijningsvorm niet heilig. Zij is een kostbare oefenplaats tussen God en mensen, die zich daarom ook telkens zal moeten aanpassen aan een veranderende tijd.” (p.154)

“In de poetische taal van de bijbel woont God in de hemel. Dit volk verhief hem in zijn gedachte niet voor niets zo hoog. Men besefte: het geheim van dit leven heeft alles te maken met het vermogen tot compassie met mensen die uit het leven dreigen weg te vallen. Heeft alles te maken met die krachten, die als enige deze wereld bijeen kunnen houden, zoals wederzijdse verantwoordlijkheid, …, verzoening. En, willen die oude verhalen zeggen: die krachten zien ons. Zien ons aan. Wachten gespannen af wat de mens zal doen.” (p.103)

“Ik kan mij een perspectief over de grens van de dood ook als gelovige niet indenken. En wel omdat God, het levensgeheim, een geestelijke werkelijkheid is. De dragende kracht van deze wereld en van dit leven. De Kern ervan, het Essentiële. Die kern heeft meerdere gestalten. Ik denk dan- ze kwamen al eerder ter sprake- aan levenskracht en levensmoed, aan eerbied voor alle leven, aan trouw, liefde, zorg voor de individuele mens en volken in nood, betrachting van recht, bevrijding uit onrecht, aan mededogen en vergeving. Aan verzoening tussen mensen. Aan de wil tot samenwerking met elkaar en met andere volken, aangewezen als wij zijn op elkaar. Het zijn waarden die ons heilig zijn, of in elk geval zouden moeten zijn.” (p.176)

“Als het christelijk geloof iets voorstelt, dan moet het de kritische vragen van iemand die zich agnost of atheïst noemt kunnen hebben.  Het kan er alleen maar eerlijker, en dus beter van worden. Wij zouden elkaar er beter door leren verstaan. Als we – ‘gelovig’ of ‘niet-gelovig’- nu eens zouden beginnen deze verhalen te lezen als literatuur. Als levenswijsheid! Als inzichten die niet louter het kleinood zijn van de synagoge of van de kerk, maar als de geestelijke erfenis die een oud volk de wereld heeft nagelaten, waarover wij vrijelijk mogen beschikken. Die al eeuwen onze cultuur heeft gestempeld en haar richting heeft gewezen, tot in onze zeden en gewoonten en wetgevingen en onze gewetensvorming toe.” (p.189)

custom

Tijdens mijn studie in Amsterdam raakte ik geïnspireerd door de ‘Amsterdamse school’: theologie van Miskotte, Breukelman, Barth. Dit boek van Ad van Nieuwpoort vind ik een heel toegankelijke inleiding in deze bijbelse theologie.

‘Voor een algemene wereldbeschouwing of voor beschouwingen over het ‘Zijn’, over het ontstaan van het Al, over het menselijk bewustzijn, over de zin van het bestaande, of over de zedelijke moraal, ben je bij de bijbel aan het verkeerde adres. De bijbel komt wat dit betreft de verwachtingen van de religieuze mens maar nauwelijks tegemoet. Sterker nog, de bijbel draagt het karakter van een anti-religieus document. Voortdurend horen wij in datgene wat naar voren wordt gebracht hoezeer dit het tegendeel verkondigt van de algemeen- menselijke religie. Daarmee is de bijbel, zich verzettend tegen de bestaande ordeningen en categorieën een hyperkritisch geschrift.’ (p. 18)

Geef een reactie